|
"...hotel niet kan binnenkomen. Wij moeten naar hem toe en uit de taxi stappen op de hoek van Iolani Boulevard en Ala Wai. Wat dat ook zijn moge.” Hij liet de telefoonhefboom omhoog komen: „Juffrouw? Kunt u direct een taxi bestellen voor kamer 464? Wij komen meteen beneden.”
De taxi was natuurlijk een Hawaiïaanse taxi — zalmrood van kleur en van binnen rondom voorzien van vaasjes waarin exotische bloesems. De chauffeur was een halfbloed en hij droeg geen uniform of chauffeurspet, maar had een engsluitend costuum aan van heel licht groen met een felrode das en gele schoenen. Zijn haren roken naar een of andere pommade. „Hoek van Iolani Boulevard en Ala Wai.” De zalmrode taxi schoot weg bijna zonder enig gerucht.
<knip>
op de rem. „Hier is de hoek van Iolani en Ala Wai.” Zij klommen haastig naar buiten en lieten, traditie getrouw, Jan afrekenen. Zij konden meestal aan de smak van het portier en het wegrijden van de taxi horen of Jan al te zuinig was geweest met zijn fooi of niet. Ditmaal viel het nogal mee. Of de chauffeur was in een filosofische bui.
Zij stonden op een ruim kruispunt van een met palmen omzoomde boulevard die gekruist werd door een soort autoweg van nieuw beton. Gewone straten, in de Europese betekenis van het woord waren hier zo goed als niet: de boulevards waren aangelegd met een ruimte en breedte of de grond niets kostte en de gebouwen stonden ook wijd uiteen en waren van de weg gescheiden door grasvelden of tuinen, wat het geheel een park-achtig aanzien gaf. Zij stonden nog om zich heen te kijken, toen een schel gefluit van ergens rechts hun aandacht trok.
<knip>
„Kom mee. Het is hier nogal rustig, maar ik loop toch echt teveel in de gaten.” — Hij wandelde snel voor hen uit en een flauwe bocht van de boulevard door. Nauwelijks waren zij die bocht voorbij, of ze zagen de wit-en-blauwe open Cadellac staan met de achterlichten brandend. Simpson liep voorop, stopte bij het achterwiel van de auto en keek erin." |
|